Selecteer een pagina

Maria – de vrouw van de timmerman, de arme arbeidersvrouw, onbekend, onaanzienlijk in de ogen van de mensen, nu echter juist in haar onaanzienlijkheid, in haar nederige staat door God aangezien en uitverkoren om de moeder van de redder van de wereld te zijn; niet om een of andere goede menselijke eigenschap, ook niet om haar ongetwijfeld grote vroomheid, ook niet om haar deemoed, maar uitsluitend en alleen omdat Gods genadige wil het kleine, het onaanzienlijke, het geringe liefheeft, verkiest en groot maakt.
Christus zelf, Christus in de kribbe – God schaamt zich niet voor de geringheid van de mens. Hij gaat er midden in staan, verkiest een mens tot zijn instrument en doet zijn wonderen daar, waar wij ze het minst verwachten. Waar de mensen zeggen ‘ verloren’ – daar zegt Hij ‘gevonden’; waar de mensen zeggen ‘geoordeeld’ – daar zegt Hij ‘gered’; waar de mensen zeggen ‘nee’ – daar zegt Hij ‘ja’. Waar de mensen de blik onverschillig of hoogmoedig afwenden, daar straalt uit zijn ogen een liefde, die nergens haar gelijke vindt.
Wanneer God Maria tot zijn instrument verkiest, wanneer Hij in de kleinheid op deze wereld wil komen, is dat geen idyllische familieaangelegenheid, maar het begin van een volledige omkeer en een totale vernieuwing van alle dingen. Als wij aan dit gebeuren willen deelnemen, kunnen wij niet als toeschouwers aan de kant blijven staan en ons verheugen over alles wat zich voor onze ogen afspeelt, maar worden wij zelf in deze handeling, in deze omkeer van alle dingen opgenomen, wij moeten meespelen in dit spel.
Maar wat voor spel wordt hier gespeeld, nu Maria de moeder Gods wordt? Het gericht en de verlossing van de wereld – dat is wat hier geschiedt; en het beloofde kind der geringheid zelf heeft dit gericht en deze verlossing in handen; hij is het, die de groten en machtigen van zich wijst, die de tronen van de machthebbers omverwerpt, die de hoogmoedigen vernedert, die uit het stof tilt, wat gering is, en het in zijn barmhartigheid groot maakt en verheerlijkt. Met ieder, die hierheen komt, gebeurt iets: hij kan alleen geoordeeld of verlost weer weggaan; hij gaat te gronde of beseft, dat Gods volle barmhartigheid over hem gekomen is.
Maar is dat niet allemaal retoriek, pastorale overdrijving van een schone vrome legende? Wie het als retoriek wil opvatten, hij ga zijn gang. Voor ons kan het onmogelijk retoriek zijn, want het is God zelf, de Heer en Schepper aller dingen, die hier zo klein wordt, die ingaat in de onaanzienlijkheid van de wereld, die in de hulpeloosheid van een kind onder ons wil verkeren, en dat alles niet, opdat wij ontroerd worden, maar opdat wij schrikken en ons verwonderen en ons verheugen, dat God alle menselijke grootheid oordeelt en van zijn waarde berooft en in de kleinheid zijn nieuwe wereld schept.

Dietrich Bonhoeffer